woensdag 18 november 2020













LAFZWANS

Ik schreeuw geen harde kleuren,
meander veilig in pastel
Ik wend mij af voor wereldzaken
Toch zie ik alles, dat weer wel

Mijn vuist raakt nooit een tafel,
ik heb een mening over niets
(Die heb ik wel en zwijg daarover)
Maar roept een actievoerder iets

Dan val ik bij, nee, nimmer leidend
Ik knik, ik grijns en woord-vermijdend
Steek ik hun waarheid in de lucht

Bij elke tegenwerping
Dan wijs ik steevast naar het bord
Of kantel hun bewering zachtjes
Totdat het in mij rustig wordt

Ik schreeuw geen harde kleuren,
meander veilig in pastel
Ik wend mij af voor wereldzaken
Ik ben een schijterd, dat weer wel


André Meulman / nov 2020




maandag 16 november 2020

VERLOSSINGSTREIN


Patrick ontwaakt beter dan hij slaapt. Al drie jaar lang. Zijn linkerhand landt zoekend op het koude kussen naast hem. Eenzaamheid went niet. Dinsdag 24 januari 2017. Dertien-honderd-acht-en-tachtig kwade dagen geleden. Hij bijt op zijn bovenlip en sluit kort zijn ogen. De dagelijkse film begint. Judith zou die dag in januari geopereerd worden. Een routineklus, had de chirurg gezegd. Traumabioscoop. Patrick ziet zichzelf in de wachtkamer van het ziekenhuis. Door het glas van de wachtkamer ziet hij de chirurg, Marinus Burlage met korte zekere passen zijn richting oplopen. Een vijftiger. In zijn hand draagt hij een opvallende, langwerpige zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting. Als hij tot stilstand komt, wappert zijn jas nog na . Patrick springt op. “Mijnheer Van Wijk”, begint de chirurg, “er hebben zich ernstige complicaties voorgedaan…” Dan spoelt de film snel door. “Maar ja,” vervolgt de chirurg met een nauwelijks waarneembaar glimlachje, “..dat kan gebeuren hè?” Patrick opent zijn ogen. De woorden schieten als zilveren kogels in een flipperkast zijn kop in. “Dat kan gebeuren hè, dat kan gebeuren hè?” “Ze is dood!”, schreeuwt Patrick. “Ze is dood, godverdomme!!! Ze is alles wat ik heb!” Dan wordt het donker in de bioscoop en als het licht weer aanfloept ziet hij Marinus, de chirurg, vrolijk lachend met de verpleegsters grapjes maken. Eén geeft hij lachend een klap op haar billen. Judith, het liefste en enige dat hij bezat, gewoon weggelachen. Doodgelachen. En nu, zelfs na jaren therapie, wil de woede maar niet weg. “Ik hou van jou”, murmelt Judith in zijn binnenoor.

Hij staat op. Zet thee, eet haastig een boterham met Rinse appelstroop en doucht. Heel heet. Met de klamme handdoek om zijn heupen geknoopt schrijft hij met grote hanenpoten “Dies Irae” in het condens op de spiegel boven de wastafel. Hij pakt een scheermes met ivoren heft van het planchet en klapt het open. Hij kijkt met een raar soort verlangen naar het uitgeklapte staal. “Vandaag!”, belooft hij de spiegel, met schorre stem. Het mes fonkelt vol verwachting als hij het tegen zijn pols houdt. Er verschijnt een druppel bloed om de hoek van het lemmet. Een donkerrood krasje. Dan klapt hij het mes in. Hoest de schorheid weg en loopt de huiskamer in.

Op de eetkamertafel staat een langwerpige, zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting. Op internet gevonden. Op een veilingsite popte opeens de tas op. Er zijn er maar twee van gemaakt, vertelde de veilingmeester. Voorzichtig legt hij het scheermes in de tas naast de rol duct tape, hamer, handboor met boor nummer 24, korte zaag en een gisteren gekocht, gloednieuw glanzend hakmes. Hij kleedt zich aan. “Ach, stom”, mompelt hij. Komt terug in de kamer en neemt al lopend een slok thee. Pakt het scheermes weer uit de dokterstas en stopt het in de binnenzak van zijn dienstcolbertje. De linkerbinnenzak, want hij is rechts. Hij weet niet waarom hij schrikt van het rode standby-lichtje van de TV. Zo’n infraroodlichtje dat sluipschutters op het vizier van hun geweer hebben… “ Het zal de spanning zijn. Judith grinnikt zachtjes.

Sinds een paar maanden werkt hij weer. Door concentratieproblemen jammer genoeg niet meer als wiskundeleraar op het Alberdingk Thijmcollege, maar als conducteur bij de NS.
Op tafel ligt de weekuitdraai van het NS-rooster open op vandaag. Spoor 1a. 8.57uur. Intercity Groningen. Patrick neemt zijn zwarte regenjas van de kapstok en pakt de dokterstas. Hij laat de huissleutels op het kastje in de hal liggen en trekt de buitendeur achter zich in het slot. Het miezert als hij op zijn fiets stapt. Judith lispelt lieve woordjes in zijn oren. Vandaag klopt alles.

De intercity staat er nog niet. Hij loopt tot waar het voorste deel van de trein ongeveer zal stoppen. In de verte ziet hij de koplampen van de trein opdoemen. Om hem heen ontstaat beweging en als de trein eenmaal stilstaat en de deuren open klappen, wacht Patrick tot de trein zich leegt en weer vult. De conducteur waarvan Patrick de dienst overneemt groet hem kort. Knikje. Dan stapt Patrick in. Het is druk. Uit zijn dienstcolbert haalt hij de conducteurssleutel, prikt hem in het sleutelgat rechts van de deur, draait hem naar rechts, steekt zijn hoofd naar buiten, links, rechts, drukt met zijn middelvinger kort op de blauwe knop en de deur sluit zich. De sleutel glijdt routinematig in zijn zak. Patrick loopt naar voren. En nadat hij een verwarde dame in karmijnrode jas heeft gepasseerd, staat hij stil voor de deur van de machinist. Hij twijfelt. “Doe het!”, fluistert Judith. Patrick geeft als waarschuwing twee korte kloppen op de deur en opent deze met de conducteurssleutel. Heel veel licht.

“O hallo”, roept een jonge vrouw vanaf de machinistenstoel, terwijl ze zich omdraait. Jij moet Patrick zijn!” Hij knikt bevestigend “Welkom, ik ben Anne!”. Ze is midden twintig. Anne drukt wat knoppen in op het bedieningspaneel en schuift een zwarte handel met glanzende knop naar voren. Langzaam zet de trein zich in beweging. Patrick zegt niks. Hij kan Annes warmte voelen nu hij achter haar staat.
Anne schuift zonder om te kijken met haar rechterhand een thermoskan naar achteren over de machinistentafel.
“Koffie?”
“Straks”, zegt Patrick, terwijl hij de knop van de intercom op ‘on’ zet.
Dan zet hij met een harde klap de langwerpige zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting, op de machinistentafel.

Anne schrikt even en zegt dan: “Hé da’s toevallig, mijn vader heeft precies zo’n tas”.
“Dat weet ik,” zegt Patrick.

Zijn rechterhand verdwijnt in de linkerbinnenzak van zijn dienstcolbert.

Andre Meulman
november 2020