woensdag 18 november 2020













LAFZWANS

Ik schreeuw geen harde kleuren,
meander veilig in pastel
Ik wend mij af voor wereldzaken
Toch zie ik alles, dat weer wel

Mijn vuist raakt nooit een tafel,
ik heb een mening over niets
(Die heb ik wel en zwijg daarover)
Maar roept een actievoerder iets

Dan val ik bij, nee, nimmer leidend
Ik knik, ik grijns en woord-vermijdend
Steek ik hun waarheid in de lucht

Bij elke tegenwerping
Dan wijs ik steevast naar het bord
Of kantel hun bewering zachtjes
Totdat het in mij rustig wordt

Ik schreeuw geen harde kleuren,
meander veilig in pastel
Ik wend mij af voor wereldzaken
Ik ben een schijterd, dat weer wel


André Meulman / nov 2020




maandag 16 november 2020

VERLOSSINGSTREIN


Patrick ontwaakt beter dan hij slaapt. Al drie jaar lang. Zijn linkerhand landt zoekend op het koude kussen naast hem. Eenzaamheid went niet. Dinsdag 24 januari 2017. Dertien-honderd-acht-en-tachtig kwade dagen geleden. Hij bijt op zijn bovenlip en sluit kort zijn ogen. De dagelijkse film begint. Judith zou die dag in januari geopereerd worden. Een routineklus, had de chirurg gezegd. Traumabioscoop. Patrick ziet zichzelf in de wachtkamer van het ziekenhuis. Door het glas van de wachtkamer ziet hij de chirurg, Marinus Burlage met korte zekere passen zijn richting oplopen. Een vijftiger. In zijn hand draagt hij een opvallende, langwerpige zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting. Als hij tot stilstand komt, wappert zijn jas nog na . Patrick springt op. “Mijnheer Van Wijk”, begint de chirurg, “er hebben zich ernstige complicaties voorgedaan…” Dan spoelt de film snel door. “Maar ja,” vervolgt de chirurg met een nauwelijks waarneembaar glimlachje, “..dat kan gebeuren hè?” Patrick opent zijn ogen. De woorden schieten als zilveren kogels in een flipperkast zijn kop in. “Dat kan gebeuren hè, dat kan gebeuren hè?” “Ze is dood!”, schreeuwt Patrick. “Ze is dood, godverdomme!!! Ze is alles wat ik heb!” Dan wordt het donker in de bioscoop en als het licht weer aanfloept ziet hij Marinus, de chirurg, vrolijk lachend met de verpleegsters grapjes maken. Eén geeft hij lachend een klap op haar billen. Judith, het liefste en enige dat hij bezat, gewoon weggelachen. Doodgelachen. En nu, zelfs na jaren therapie, wil de woede maar niet weg. “Ik hou van jou”, murmelt Judith in zijn binnenoor.

Hij staat op. Zet thee, eet haastig een boterham met Rinse appelstroop en doucht. Heel heet. Met de klamme handdoek om zijn heupen geknoopt schrijft hij met grote hanenpoten “Dies Irae” in het condens op de spiegel boven de wastafel. Hij pakt een scheermes met ivoren heft van het planchet en klapt het open. Hij kijkt met een raar soort verlangen naar het uitgeklapte staal. “Vandaag!”, belooft hij de spiegel, met schorre stem. Het mes fonkelt vol verwachting als hij het tegen zijn pols houdt. Er verschijnt een druppel bloed om de hoek van het lemmet. Een donkerrood krasje. Dan klapt hij het mes in. Hoest de schorheid weg en loopt de huiskamer in.

Op de eetkamertafel staat een langwerpige, zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting. Op internet gevonden. Op een veilingsite popte opeens de tas op. Er zijn er maar twee van gemaakt, vertelde de veilingmeester. Voorzichtig legt hij het scheermes in de tas naast de rol duct tape, hamer, handboor met boor nummer 24, korte zaag en een gisteren gekocht, gloednieuw glanzend hakmes. Hij kleedt zich aan. “Ach, stom”, mompelt hij. Komt terug in de kamer en neemt al lopend een slok thee. Pakt het scheermes weer uit de dokterstas en stopt het in de binnenzak van zijn dienstcolbertje. De linkerbinnenzak, want hij is rechts. Hij weet niet waarom hij schrikt van het rode standby-lichtje van de TV. Zo’n infraroodlichtje dat sluipschutters op het vizier van hun geweer hebben… “ Het zal de spanning zijn. Judith grinnikt zachtjes.

Sinds een paar maanden werkt hij weer. Door concentratieproblemen jammer genoeg niet meer als wiskundeleraar op het Alberdingk Thijmcollege, maar als conducteur bij de NS.
Op tafel ligt de weekuitdraai van het NS-rooster open op vandaag. Spoor 1a. 8.57uur. Intercity Groningen. Patrick neemt zijn zwarte regenjas van de kapstok en pakt de dokterstas. Hij laat de huissleutels op het kastje in de hal liggen en trekt de buitendeur achter zich in het slot. Het miezert als hij op zijn fiets stapt. Judith lispelt lieve woordjes in zijn oren. Vandaag klopt alles.

De intercity staat er nog niet. Hij loopt tot waar het voorste deel van de trein ongeveer zal stoppen. In de verte ziet hij de koplampen van de trein opdoemen. Om hem heen ontstaat beweging en als de trein eenmaal stilstaat en de deuren open klappen, wacht Patrick tot de trein zich leegt en weer vult. De conducteur waarvan Patrick de dienst overneemt groet hem kort. Knikje. Dan stapt Patrick in. Het is druk. Uit zijn dienstcolbert haalt hij de conducteurssleutel, prikt hem in het sleutelgat rechts van de deur, draait hem naar rechts, steekt zijn hoofd naar buiten, links, rechts, drukt met zijn middelvinger kort op de blauwe knop en de deur sluit zich. De sleutel glijdt routinematig in zijn zak. Patrick loopt naar voren. En nadat hij een verwarde dame in karmijnrode jas heeft gepasseerd, staat hij stil voor de deur van de machinist. Hij twijfelt. “Doe het!”, fluistert Judith. Patrick geeft als waarschuwing twee korte kloppen op de deur en opent deze met de conducteurssleutel. Heel veel licht.

“O hallo”, roept een jonge vrouw vanaf de machinistenstoel, terwijl ze zich omdraait. Jij moet Patrick zijn!” Hij knikt bevestigend “Welkom, ik ben Anne!”. Ze is midden twintig. Anne drukt wat knoppen in op het bedieningspaneel en schuift een zwarte handel met glanzende knop naar voren. Langzaam zet de trein zich in beweging. Patrick zegt niks. Hij kan Annes warmte voelen nu hij achter haar staat.
Anne schuift zonder om te kijken met haar rechterhand een thermoskan naar achteren over de machinistentafel.
“Koffie?”
“Straks”, zegt Patrick, terwijl hij de knop van de intercom op ‘on’ zet.
Dan zet hij met een harde klap de langwerpige zwartleren dokterstas, met barnstenen sluiting, op de machinistentafel.

Anne schrikt even en zegt dan: “Hé da’s toevallig, mijn vader heeft precies zo’n tas”.
“Dat weet ik,” zegt Patrick.

Zijn rechterhand verdwijnt in de linkerbinnenzak van zijn dienstcolbert.

Andre Meulman
november 2020

zaterdag 17 oktober 2020

COLLECTIEVE ZELFMOORD OUDEREN

Zijn wij de schuld van alles? “Eigenlijk”, zei mijn allerliefste nicht van 40 met een zweempje vermaning“, moeten wij alles doen om jullie (lees: bejaarden) te beschermen en missen wij jongeren daardoor kansen.” Onze zoon zat midden in zo’n geweldige kans en zag die kans door corona voortijdig stranden. Weg plannen. Hij: “Jullie zijn economisch de minst kwetsbare groep. Geen banen op de tocht, een redelijk pensioen, dus financieel gezekerd. Ons leven staat “on hold” omdat we jullie moeten ontzien.” Tja. Beetje au. Puntje.

Vervelend is wel dat die ongelijkheid ons geregeld wordt ingewreven. Mea culpa? Denk het niet. Ik heb nog nooit vleermuis of gordeldier gegeten en mijn partner, bij mijn weten, ook niet. Dus wat doen we braaf om onszelf en anderen niet in gevaar te brengen? Wij dansen de corona-choreografie vol overgave. Dagelijks laveren wij tussen onvoorzichtigen, ontwijken ongelovigen en lopen in kleine ruimten spitsroede, met vrolijke mondmaskers en desinfecterend snot als wapen. Maken afstandelijke virusarme rijtjes voor de slager en betalen met onzichtbaar geld. O ja, en hoesten alleen in onze eigen elleboog. Waarvan akte.

En nu? De pauzeknop van ieders leventje is blijven hangen. De economie hapert. Iedereen wil namelijk verder en persoonlijke en economische stilstand is frustrerend. Frustratie is niet alleen een voedingsbodem voor complottheorieën, sommigen willen zich niet langer conformeren aan de opgelegde regels. De bereidheid om maatregelen, zoals in het begin van de pandemie, klakkeloos op te volgen lijkt een stuk minder. Is dat raar? Nee! Ja!

Een beetje wel. We zitten met een zoekende overheid die vanuit aangereikte statistieken leest hoe het virus zich verspreidt en beetje bij beetje inzicht krijgt. Een overheid die slechts adviezen opvolgt van een handjevol experts die de virale bezoeker ook nog niet zo heel lang op de koffie hebben. Ik geef het je te doen. Dus is voortschrijdend inzicht de modus operandi. Zo werkt twijfel. Het terugkomen op regels, het bijstellen of verlaten van inzichten, hoe legitiem ook, werkt helaas demotiverend. Handenwassenafstandhoudenmondkapjeop, moet het adagium zijn. Ook bij twijfel. Dat is op dit moment het veiligst voor iedereen.

We zijn allemaal een geweldige gastvrouw of gastheer voor het corona-virus en de mate waarin het virus toeslaat verschilt. Ook bij de ‘milde’ vorm is het niet duidelijk of er in de toekomst toch nog een venijnig staartje aan het virus zit. Dat weten we nog niet. Ouderen zijn kwetsbaar. Zeker. Moeten dan de ouden van jaren, maar niet meer ontzien worden? Collectieve zelfmoord misschien? Of worden wij de nieuwe vogelvrijen? Van hun e-bike duwen? Gewoon in hun gezicht hoesten dan maar? Zou het wat oplossen als we het virus loslaten en alle ouderen opofferen voor een jongere wereld? De pensioenfondsen zouden weer ruim boven de 100% dekking komen (maar op korte termijn voor wie?), huisvesting zou geen probleem meer zijn, de huizenprijzen zouden dalen, lagere zorgverzekeringspremies, het stikstofprobleem opgelost, geen ouderenzorg meer nodig, minder vliegbewegingen door reislustige 67-plussers, een beter milieu wellicht, iedereen werk en kansen? Klinkt veelbelovend, maar laten we dat toch maar niet doen. Want jongeren worden ook ouderen en…ach laat maar.

We wachten op een vaccin en hopen dat het lukt om in het kat-en-muisspelletje met corona voor te blijven. Tot die tijd zit de kracht in het collectief.

Schouders eronder en handenwassenafstandhoudenmondkapjeop.

André Meulman - augustus 2020

zondag 3 februari 2019

Albert


Dood is slechts een staat van leven
Net als in de wieg dat is
Een in hout verpakte pose
Met een foto en gemis

Dood? Hier ligt een pijnloos wezen
Leven is een morsdood woord
Heftig is het machteloze
Dat de kist jou toebehoort

© André Meulman 2019

“Van oude vrienden, de dingen, die voorbij gaan”

Op 3 januari 2019 afscheid moeten nemen.
Mijn langste vriendschap, mijn oudste vriend (68). 
46 jaar voorbij. Laten gaan

 

vrijdag 28 november 2014

Fijn Gemis

Zij kust mijn wang en
hoort geen hart dat, wringt,
op twee gedachten hinkt
Onthecht, onthelst
Ik wil haar missen

Haar mooie lach als
compliment, dan springt
ze op haar fiets en dringt
het tot me door
Haar wielen draaien

Een bocht naar links, een
zwaai met rechts, dag kind
fiets lekker in de wind
en koers vooral
op jouw pedalen

Dag dochterlief, je bent van jou
Het leven mag je halen


©André Meulman 2014

dinsdag 18 november 2014

Soms


Soms voel ik haar
in de slipstream van gedachten
En voel ik, als opspattend water,
haar nachtjapon aaiend
langs schouder en hand
Tastbaar als vertroosting
Ze is niet weg

Soms hoor ik haar
in de echo van verbeelding
En blaast ze, met tuitende lippen,
zo lief en zacht, woordjes
in ‘t hart van mijn hart
Hoorbaar als een sneeuwbui
Ze is niet weg

Soms zie ik haar
Bij de vogels in de bomen
Daar raakt ze, met vleugels van zijde
de tijd weer aan. Verder
komt nooit dichterbij
Zichtbaar zijn gedachten
Ze is niet weg

Soms proef ik haar
In de volheid van mijn tranen
Blijf!


©AndreMeulman 2014
   11-11-2011 MB


woensdag 12 november 2014

Horizontaal

Daar staat ze krom, haar hart gevouwen
Haar adem stom, de wind trekt aan
De vuisten ballend in haar zakken
Vandaag komt haar verlosser aan

Ze weet haar voet, omringd door water
Verzamelt moed, een stap erbij
De golven kussen zacht haar kuiten
Kom, kom mijn lief ‘t is zo voorbij

En weer een stap, als kinderhandjes
In kinderpap verdwijnt haar been
Haar kleren sponsen zilte zoetheid
Het water sluit zich om haar heen

Dan komt ze vrij uit de omarming
Ze keert het tij, zo is het goed
De horizon, daar gaat een dame
De ondergang snelt tegemoet


© André Meulman 2014

Zoals je misschien is opgevallen schrijf ik zo nu en dan een gedicht(je)
Ze zijn qua sfeer melancholiek. Het gewicht moet er kennelijk even uit. 
Kan me trouwens niks schelen ook.

maandag 27 oktober 2014

Wegkwijten

Met in mijn hand de zwart en witten               
Ontworstelt een ‘aha’ zich vrij               
Taaie bellen grijze averij                        
Spatten zonder spetten, spitten            
Door wat ik wist, en weer wil weten                
Maar, wat zich opent, sluit zich weer   
Al wat ooit was, deels weggevreten                 
flitst manifest, dan nimmer meer                  

Dan kijk ik op en zie in droeve              
Ogen voor een tel mijn spiegelbeeld              
Je lacht een glim, ik geef als proeve                
Een teruglach in een doof staccato                  
Je troost mijn mond als intermezzo                 
En in mijn hoofd….verdampt jouw foto            


© André Meulman 2014
            

zondag 1 april 2012

Uitslag onbeslist


Soms denk je dat een oplossing een verbetering is. Grote ergernis bij ons huis in Apeldoorn is al jaren het zonnescherm. Op zich best een goed ding met een uitslag van zo'n twee-en-halve meter zodat je er ruim met zijn allen onder kunt zitten als het weer even wil miezeren. So far so good. Jammer is wel dat de vorige bewoners leden aan de verkeerde soort zuinigheid en bedacht hadden dat het zonnescherm alleen voor het raam wel voldoende was. Dat was een vergissing. Bij de tuindeur prikt de ploert vrolijk en met volle kracht door het glas en als dat ding een keer schijnt sterven we het af van de hitte. Wij zitten, als het weer daartoe aanleiding geeft bijzonder graag buiten onder het afdakje. Wijntje kaasje. Houden wij van. Ook als het een beetje regent is het onder de oranje hemel goed uit te houden. Twee-en-halve meter uitslag is voor een bank, een tafel en twee stoelen voldoende. Menig adelaar heeft zo'n uitslag niet. Een zonnescherm, dachten wij, over de gehele lengte zou toch wel plezierig zijn. Mijn moeder speelt ook in dit verhaaltje weer een rol. Het balkon van mijn moeder's bejaardenflatje hing op het westen en daar had ze een groot zonnescherm van ruim vier meter breedte. Geheel elektrisch te bedienen en bovendien mét afstandsbediening. In eerste instantie wilden we de moeite van het demonteren en opnieuw plaatsen niet nemen, maar op de vele briefjes die bij de Albert Heijn en beneden in de 'recrematiezaal' waren opgehangen reageerde niemand. Dit moest haast wel een teken van moeder zijn, want zij had het altijd goed met ons voor. Wij gingen om. Zoveel comfort en bedieningsgemak in je schoot geworpen krijgen daar konden wij geen weerstand aan bieden. Zeker niet toen onze goede vriend Maarten aanbood om het gevaarte er wel even af te halen en in Apeldoorn opnieuw te monteren. Heel aardig. Nou daar had hij zich goed op verkeken, want het bleek nog een hele klus. Het grote scherm er af te krijgen viel op zich wel mee, maar het kon niet kleiner worden gedemonteerd dan de spindel lang was. Vier meter en een stukkie. Samen met Gitta, mijn zus en Maarten moesten we de volle vier meter aan singelbanden van het balkon naar beneden laten zakken. Maandje later. Maarten komt met het scherm op de imperiaal van zijn klusbus naar Apeldoorn om 'even' het scherm te plaatsen. Hij had er zin in. Wij ook, want we hadden nóg een verrassing voor hem. Het oude scherm mocht er ook af. Hij blij. Het oude scherm was redelijk snel gedemonteerd. En na wat meetwerk en plaatsbepaling werd het casco van het moederscherm op de muur 'vastgebout'. Gaatje in de buitenmuur, door de spouw en de binnenmuur. Stroomdraad erdoor, stekker er weer aan. Dat ging van een leien dakje. En toen de bak geplaatst. Er bestaan, zo leerden wij, heel veel soorten zonwering. Er zijn baldakijnen, aluminium, houten en kunststof luxaflex zonweringen in werkelijk waanzinnige kleuren, schermen met handbediening, met afstandsbediening, schermen met zonnesensoren die al bij een halve zonnestraal automatisch naar beneden zakken, schermen voor tuinen, schermen voor balkonnetjes... Huh? Schermen voor tuinen en voor balkonnetjes? Wat is er dan anders aan een balkonscherm? Antwoord: De uitslag! Die is namelijk van een parkiet. Als de diepte van een balkon maar overspannen wordt vindt zo'n scherm het al goed. Jammer voor zo'n scherm is dat wij geen balkon hebben maar een tuin. We hebben drie-en-half uur achter elkaar gelachen. En soms lachen we nog even bij. Ook nu ik dit opschrijf. Kijk maar op de foto hoe Renée de uitslag bekendmaakt. Het is geweldig om te janken. Je kan er niet onder staan, noch onderdoor lopen. Wij zijn er zielsgelukkig mee. Er past wel een hele bank onder en als het regent hoeven we alleen maar even de beentjes op te trekken. Klein detail; de tuindeur moet wel helemaal open staan anders kan het scherm niet zakken. Doe je dat niet dan kan de deur niet genoeg open. Je moet het even weten, maar dan gaat het goed. Absoluut fantastisch is de afstandsbediening. Die is namelijk stuk, want het scherm wil niet meer zakken. Nogmaals bedankt mam voor je fijne scherm. We blijven aan je denken. Laat de zomer maar komen!
En de uitslag is...

zondag 9 oktober 2011

Ik heb hier een brief...

Maart 2011. Flatje leeg. Onze stemmen kaatsen tegen de muren, plafond en de kale vloer. De huismeester vervangt het slot van de voordeur. Maandag komt er een peloton werklieden, want de keuken gaat eruit, de badkamer wordt vervangen en de indeling aangepast. Schuren, timmeren, hakken, tot alle sporen zijn gewist. De Kringloop heeft de laatste spulletjes, die echt niemand meer wilde hebben, meegenomen en we hebben met gemengde gevoelens de kleine vrachtwagen het terrein af zien rijden. Gatver, het voelt als verraad aan onze moeder. We werpen nog een laatste blik om de hoek van haar slaapkamer en onze neuzen proberen haar nog even te vangen. We ruiken en zeggen niks. Ze is weg. 

Aan de muur wappert aan een plakbandje een klein briefje. “Ben zó terug, even boeken ruilen”, staat er in het ouderwetse handschrift van mijn moeder. Kwam de bibliotheekbus bij de Koornhorst in Amsterdam-Zuidoost dan hing het briefje als belofte op de gangdeur van haar bejaardenflatje. Ze hield enorm van lezen. In een schriftje hield ze de honderden boeken bij die ze had gelezen en wat ze er van vond. Grote mensenboeken van grote schrijvers. En daar, op de laatste dag in haar Amsterdamse woning, hing ze aan een stukje tape te tikken tegen het behang. Onze moeder, een briefje. Zo wordt iets waardeloos opeens iets waardevols. Mijn zus heeft het krabbeltje ingelijst. Ben zó terug? Ja, ammehoela! 

Dag lieve mam, dat was het dan. Hartstikke dood, hartstikke jammer en hartstikke goed weggegleden. Chapeau, chapeau! Mooi op dronk en geheel naar wens, gewoon na achtentachtig jaren, niet meer opgestaan en linea recta onze geschiedenis ingetuimeld. Inmiddels zijn al je spullen in goede harmonie verdeeld,  weggegooid, en heeft de veilingmeester de dingen, waar jij emotionele waarde aan hechtte en wij niet, naar andere gelukkige eigenaren doorgetimmerd. Iedereen blij. En wij? Wij koesteren de ‘onveilbare’ dingen en kennen waarde toe aan briefjes, nieuwe herrie en prullaria die, na onze aanwezigheid hier, misschien in een prullenbak verdwijnen of verpatst worden. Zo gaat dat en zo moet het gaan. Ons verblijf is een perpetuum mobile tussen leven en dood, dingen en ondingen. Wij zijn de start en het einde. Meer niet.

zondag 11 september 2011

Zinloos

Gerrit, de jongste broer van Reve’s buurvrouw Sjiuwke Hofmeijer-Rijpma uit het Friese Greonterp, inspireerde Reve tot het hieronder geplaatste gedicht. Gerrit vond kort voor het einde van de Duitse bezetting de dood, na een inval van landwachters in de boerderij van het gezin. De zinloosheid en de tragiek van het leven zijn vaak thema's in het werk van Gerard Reve. Maar jongens, wat mooi geschreven. Thuis moeten wij altijd lachen om die vier prachtige slotzinnen. Omdat ze eigenlijk om te janken zijn. Een verholen aanklacht? Hoor je ook zijn monotone stem?

 

Graf te Blauwhuis
voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,

en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,

ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.

Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?


 

Gerard Reve (1923-2006)
Uit: Nader tot u

Wilt u de wonderschone prenten, die fotograaf Klaas Koppe van Gerard Reve maakte, bekijken, blader dan eens door zijn prentenboek. De moeite waard.

zondag 4 september 2011

Bijtende heimwee


Zoals beloofd. Muziek! Van muziek krijg ik enorm veel energie. Net als van schrijven. In de tijd dat ik nog actief met popmuziek bezig was, werd van een van mijn nummers een demo gemaakt. D'opname is echt een demo. In één keer op de analoge-een-stuk-of-wat-sporenrecorder. Knop op tien, beetje hoog erbij regelen en luisteren! Lichte heimwee naar licht en veel donkerbruin krullend haar, zorgeloosheid, confectiemaat 49. Nog een leven te leven. Beetje nostalgie-auw. Dus.
 


Klik op Miser en luister...
 

Miser 
Muziek & arrangement: André Meulman
Tekst: Ron Kropf
Zang en piano: André Meulman
Verdere band: Studiomuzikanten
Opname: Soundpush Studio, Blaricum
Jaar: 1972

dinsdag 30 augustus 2011

Erfelijke haarspeld

Kinderen doen van alles. Mijn schoonzus heeft ooit aan haar benen in een hoog klimrek gehangen. Zo lekker met haar bloeddoorlopen kop naar beneden. Lachen, gieren, brullen. Totdat haar grip verslapte en ze losliet. Helaas voor haar liep de uitvinder van de rubberen tegel nog in zijn korte broek. Maar gelukkig, voor zij met haar hoofd op de straat zou denderen, greep zij in een reflex naar haar hoofd. “Knnokkk!” deed haar hoofd toen ze de betonnen straattegels raakte. Lachen, gieren, brullen. Waar toch in hemelsnaam al dat bloed vandaan kwam, dat begrepen haar vriendinnetjes niet. Op haar hoofd zat niets. In plaats van haar hoofd vast te houden hield mijn mini-schoonzus huilend haar ineengeslagen knuistjes tussen haar knietjes geklemd. Een straaltje bloed sijpelde langs haar been. Vervelende dingen die haarspeldjes. Zeker als ze in je wijsvinger verdwijnen en die als een frikandel opensplijten. Het viel niet mee. Hechten dus. Ik geloof dat ze ook nog een hersenschudding had en als bonus een tand door haar lip. Allemaal leuk. Het is vijftig jaar na dato en nog steeds heeft ze een litteken op haar vinger. Niemand weet het. Niemand ziet het. Maar waarom vertel ik dit? Sommige dingen zijn erfelijk. Hamertenen, flaporen, mooi rood haar, flatulentie en grote neuzen. Je kan er niets aan doen en het kan zowel lastig als plezierig zijn. Erfelijkheid is gratis en je krijgt het van je ouders. Dat is een belangrijke manier van verwerven. Kopieergedrag is ook een manier om iets van je ouders mee te krijgen. Mijn schoonzus had last van haar gehavende rechterwijsvinger. Vooral omdat ze rechts is deed ze er alles aan om haar wijsvinger uit de volgspot te houden. Als zij iets aanwees dan deed en doet ze dat steevast met haar middelvinger. Een halve eeuw geleden was een opgestoken middelvinger in Nederland gewoon een opgestoken middelvinger. Niemand vond dat aanstootgevend. Inmiddels hebben we ons ontwikkeld en betekent het iets anders. We doen het in de auto naar medeweggebruikers, intimideren tegenstanders ermee en gebruiken het als pesterijtje onder vrienden. De prent boven dit stukje is de wijzende middelvinger van mijn stoere nicht, de dochter van mijn schoonzus. Zeker, ze heeft achttien jaar heel goed op haar moeder gelet. Hier wijst ze naar het plafond. Grappig. Maar...het is niet wat je denkt dat het is, en dat maakt het zo geestig. Kijk maar eens goed. Bij het 'fuckgebaar' toon je de geadresseerde de rug van je hand én je middelvinger. Zij, mijn nicht, laat de binnenkant van haar middelvinger en de nagels van haar drie vingers zien. En daar neemt niemand aanstoot aan. Waarom zouden ze ook. Het betekent namelijk geen ene 'fuck'.

woensdag 24 augustus 2011

De daad

1960. Vogels kunnen vliegen. De meeste dan. Dat is bijzonder handig en aangenaam als je een vogel bent. Je beschikt standaard over een helikopterview waar managers alleen maar van dromen en je kunt hippen waar je wilt. In Italië moet je even oppassen dat je niet dampend tussen de pasta belandt en voor roofvogels en de kat moet je wel uitkijken. Maar verder ben je als vogel zo vrij als jezelf. Als kind sprak ik met vogeltjes. Ik vond ze lief en grappig. Vogeltjes kwamen naar mij toe gedwarreld als ik op straat liep en verstonden wat ik zachtjes tegen ze fluisterde. Tenminste, dat dacht ik en dat voelde goed. Vogeltjes, zo vonden mijn ouders, waren ook een beter alternatief voor het meurende troebele aquarium met guppies en maanvissen van mijn broer. Zo nu en dan kwam er een verdronken visje boven drijven dat was gestopt met zwemmen. Ontbinden kon hij nog wel. En dat allemaal in een piepklein jongenskamertje met stapelbed in de Amsterdamse Freek Oxstraat 22". Het werden vogeltjes. Mijn vader kwam op een dag met een mooie vogelkooi aanzetten. Gekregen van een klant. Mijn broer mocht vogeltjes uitzoeken, want ze waren tenslotte voor hem. Bij de dierenwinkel op de Slotermeerlaan, tussen Slotania en de paardenslager, koos hij voor een Napoleonnetje, zebravinkjes, tijgervinkjes en een sijs. Ik hield van vogeltjes en beschouwde ze als vriendjes. Groot dilemma. Ik kwam als tienjarig knulletje in geestelijke nood. Onhoorbaar voor de rest van de familie bood ik de kwetteraars mijn excuses aan voor hun gevangenschap. Zielig was het. Zes prachtige vriendjes hipten van hun stokje in het witte zilverzand, knabbelden wat zaadjes uit het bakje, floten een droevig deuntje en dronken wat. Dag in dag uit. Behalve ’s nachts, dan ging er een doek over de kooi. Daarvoor waren ze natuurlijk geen vogels geworden. Vogels moeten buiten fladderen. Het was een grote sterfhuisconstructie. Het knaagde écht aan me. Mijn vrienden en kennissen dichten mij dierenhaat toe, maar het ligt absoluut genuanceerder. Ik vind nog steeds dat mensen mensen zijn en beesten beesten. Wij wonen hier en zij graag ergens anders. Dat is geen haat, dat is (dieren)liefde. 

Het was woensdagmiddag en warm. Graadje of dertig, strak blauwe hemel. Verlaten straten omdat bijna iedereen in de Sloterplas en het Jan van Galenbad dobberde. Toen deed ik het. Ik pakte de kooi en tilde hem voorzichtig op de vensterbank. Onder begeleiding van zachte geruststellende woordjes opende ik het getraliede deurtje aan de voorkant en tikte aan de achterkant mijn broers’ levende have voorzichtig naar de vrijheid. Dertig graden is een puik temperatuurtje voor tropische vogeltjes. Met een beetje geluk redden ze het. En die valk of sperwer? Tsja. That's life vriend en nou niet zeuren. Je bent een vrije vogel en géén gevangene, en dat is altijd beter. Broer niet blij. Ik wel. Nog steeds.

zaterdag 6 augustus 2011

Rare schaar

Een gele Utrechtse schaar. Wat een leuk idee. Plezierig verknipt en een kunstenaar waardig. Voor de kruising ligt hij op het fietspad aan mijn voeten. Plaats? Nachtegaalstraat in de rug met rechtsvoor de prachtige schouwburg van Dudok. Half verborgen onder een doorgetrokken witte streep van het fietspad. Klaar om het lint door te knippen. Ongetwijfeld geïnspireerd door de uitknipbonnen uit de Margriet voor een gratis pot uierzalf tegen tepelkloven. Langs de lijn uitknippen. Georganiseerde humor van een stel lollige studenten? Denk van niet. Ik heb er al fietsend door Utrecht maar één gezien. Maar wie heeft de moeite genomen om in zijn schuurtje op een verloren zondagmiddag uit een gevonden stuk triplex een schaarsjabloon te figuurzagen? En waarom?

Hij legt de afstandbediening van de tv op de gids. Het late nieuws is beëindigd. Zijn vrouw is ook deze avond zonder iets te zeggen naar bed gegaan. Hij wacht nog een paar minuten. Om 0.27 uur in de nacht van zondag op maandag klikt de voordeur bijna geruisloos achter hem in het slot. Hij is nerveus. Onder zijn jas klemt hij het triplexplankje met de eenbenige schaaruitsnede. In zijn rechterzak, naast de bos huissleutels met het balletje en de spikkeltjes, voelt hij de kleine gladde spuitbus met verf waarmee hij zijn modelvliegtuigjes spuit. Hij zucht met een stotter als hij vanaf de Maliesingel de Nachtegaalstraat in loopt. Het windt hem ongelofelijk op. Zijn hart stuitert voelbaar als een beatbox in zijn gortdroge keel en belet hem te slikken. Zijn ademhaling piept hoog als hij zich in een ondiep portiek onzichtbaar maakt. In de verte hoort hij het zingen van een fietsdynamo. Hij wacht tot de fietser voorbij is en volgt met zijn ogen het rode achterlicht de brug op. Stilte. Dan stapt hij naar voren in het volle licht van een straatlantaarn, steekt half de Nachtegaalstraat over en haalt midden op de straat met klamme handen de houten mal onder zijn jas tevoorschijn. Met trillende handen drukt hij het triplex zacht stuiterend op het asfalt en de witte streep. Niemand. Met een lange pssssshh en vier korte fffups, spuit hij snel de contouren van de gele schaar op het asfalt. Hij voelt het water achter zijn kaken door een plotseling opkomende misselijkheid. Gelukt! Met het plankje en de spuitbus in zijn handen verdwijnt de man met grote onzekere passen terug de Maliesingel op. Achter hem knipperen de stoplichten oranje wanneer hij golvend de adrenaline tegen een boom naar buiten pompt. Kick, kick, kick! Die nacht droomt hij zwetend over heldendom, motorraces, trapezenummers zonder net, bungeejumpen, raften, cobra's,  dikke deinende damesborsten, voorpaginanieuws en aanhoudend applaus. Tot de wekker hem thuisbrengt. Hij kijkt naar het bewegingsloze lichaam van zijn vrouw. In het weke vlees van haar borst priemt een eenbenige gele schaar. Hij glimlacht breed als hij op weg naar kantoor de kruising overfietst. Dit wordt een topdag!