zondag 9 oktober 2011

Ik heb hier een brief...

Maart 2011. Flatje leeg. Onze stemmen kaatsen tegen de muren, plafond en de kale vloer. De huismeester vervangt het slot van de voordeur. Maandag komt er een peloton werklieden, want de keuken gaat eruit, de badkamer wordt vervangen en de indeling aangepast. Schuren, timmeren, hakken, tot alle sporen zijn gewist. De Kringloop heeft de laatste spulletjes, die echt niemand meer wilde hebben, meegenomen en we hebben met gemengde gevoelens de kleine vrachtwagen het terrein af zien rijden. Gatver, het voelt als verraad aan onze moeder. We werpen nog een laatste blik om de hoek van haar slaapkamer en onze neuzen proberen haar nog even te vangen. We ruiken en zeggen niks. Ze is weg. 

Aan de muur wappert aan een plakbandje een klein briefje. “Ben zó terug, even boeken ruilen”, staat er in het ouderwetse handschrift van mijn moeder. Kwam de bibliotheekbus bij de Koornhorst in Amsterdam-Zuidoost dan hing het briefje als belofte op de gangdeur van haar bejaardenflatje. Ze hield enorm van lezen. In een schriftje hield ze de honderden boeken bij die ze had gelezen en wat ze er van vond. Grote mensenboeken van grote schrijvers. En daar, op de laatste dag in haar Amsterdamse woning, hing ze aan een stukje tape te tikken tegen het behang. Onze moeder, een briefje. Zo wordt iets waardeloos opeens iets waardevols. Mijn zus heeft het krabbeltje ingelijst. Ben zó terug? Ja, ammehoela! 

Dag lieve mam, dat was het dan. Hartstikke dood, hartstikke jammer en hartstikke goed weggegleden. Chapeau, chapeau! Mooi op dronk en geheel naar wens, gewoon na achtentachtig jaren, niet meer opgestaan en linea recta onze geschiedenis ingetuimeld. Inmiddels zijn al je spullen in goede harmonie verdeeld,  weggegooid, en heeft de veilingmeester de dingen, waar jij emotionele waarde aan hechtte en wij niet, naar andere gelukkige eigenaren doorgetimmerd. Iedereen blij. En wij? Wij koesteren de ‘onveilbare’ dingen en kennen waarde toe aan briefjes, nieuwe herrie en prullaria die, na onze aanwezigheid hier, misschien in een prullenbak verdwijnen of verpatst worden. Zo gaat dat en zo moet het gaan. Ons verblijf is een perpetuum mobile tussen leven en dood, dingen en ondingen. Wij zijn de start en het einde. Meer niet.

zondag 11 september 2011

Zinloos

Gerrit, de jongste broer van Reve’s buurvrouw Sjiuwke Hofmeijer-Rijpma uit het Friese Greonterp, inspireerde Reve tot het hieronder geplaatste gedicht. Gerrit vond kort voor het einde van de Duitse bezetting de dood, na een inval van landwachters in de boerderij van het gezin. De zinloosheid en de tragiek van het leven zijn vaak thema's in het werk van Gerard Reve. Maar jongens, wat mooi geschreven. Thuis moeten wij altijd lachen om die vier prachtige slotzinnen. Omdat ze eigenlijk om te janken zijn. Een verholen aanklacht? Hoor je ook zijn monotone stem?

 

Graf te Blauwhuis
voor buurvrouw H. te G.

Hij rende weg, maar ontkwam niet,

en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,

ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.

Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?


 

Gerard Reve (1923-2006)
Uit: Nader tot u

Wilt u de wonderschone prenten, die fotograaf Klaas Koppe van Gerard Reve maakte, bekijken, blader dan eens door zijn prentenboek. De moeite waard.

zondag 4 september 2011

Bijtende heimwee


Zoals beloofd. Muziek! Van muziek krijg ik enorm veel energie. Net als van schrijven. In de tijd dat ik nog actief met popmuziek bezig was, werd van een van mijn nummers een demo gemaakt. D'opname is echt een demo. In één keer op de analoge-een-stuk-of-wat-sporenrecorder. Knop op tien, beetje hoog erbij regelen en luisteren! Lichte heimwee naar licht en veel donkerbruin krullend haar, zorgeloosheid, confectiemaat 49 en heel veel elastine. Beetje nostalgie-auw. Dus.
 


Klik op Miser en luister...
 

Miser 
Muziek & arrangement: André Meulman
Tekst: Ron Kropf
Zang en piano: André Meulman
Verdere band: Studiomuzikanten
Opname: Soundpush Studio, Blaricum
Jaar: 1972

dinsdag 30 augustus 2011

Erfelijke haarspeld

Kinderen doen van alles. Mijn schoonzus heeft ooit aan haar benen in een hoog klimrek gehangen. Zo lekker met haar bloeddoorlopen kop naar beneden. Lachen, gieren, brullen. Totdat haar grip verslapte en ze losliet. Helaas voor haar liep de uitvinder van de rubberen tegel nog in zijn korte broek. Maar gelukkig, voor zij met haar hoofd op de straat zou denderen, greep zij in een reflex naar haar hoofd. “Knnokkk!” deed haar hoofd toen ze de betonnen straattegels raakte. Lachen, gieren, brullen. Waar toch in hemelsnaam al dat bloed vandaan kwam, dat begrepen haar vriendinnetjes niet. Op haar hoofd zat niets. In plaats van haar hoofd vast te houden hield mijn mini-schoonzus huilend haar ineengeslagen knuistjes tussen haar knietjes geklemd. Een straaltje bloed sijpelde langs haar been. Vervelende dingen die haarspeldjes. Zeker als ze in je wijsvinger verdwijnen en die als een frikandel opensplijten. Het viel niet mee. Hechten dus. Ik geloof dat ze ook nog een hersenschudding had en als bonus een tand door haar lip. Allemaal leuk. Het is vijftig jaar na dato en nog steeds heeft ze een litteken op haar vinger. Niemand weet het. Niemand ziet het. Maar waarom vertel ik dit? Sommige dingen zijn erfelijk. Hamertenen, flaporen, mooi rood haar, flatulentie en grote neuzen. Je kan er niets aan doen en het kan zowel lastig als plezierig zijn. Erfelijkheid is gratis en je krijgt het van je ouders. Dat is een belangrijke manier van verwerven. Kopieergedrag is ook een manier om iets van je ouders mee te krijgen. Mijn schoonzus had last van haar gehavende rechterwijsvinger. Vooral omdat ze rechts is deed ze er alles aan om haar wijsvinger uit de volgspot te houden. Als zij iets aanwees dan deed en doet ze dat steevast met haar middelvinger. Een halve eeuw geleden was een opgestoken middelvinger in Nederland gewoon een opgestoken middelvinger. Niemand vond dat aanstootgevend. Inmiddels hebben we ons ontwikkeld en betekent het iets anders. We doen het in de auto naar medeweggebruikers, intimideren tegenstanders ermee en gebruiken het als pesterijtje onder vrienden. De prent boven dit stukje is de wijzende middelvinger van mijn stoere nicht, de dochter van mijn schoonzus. Zeker, ze heeft achttien jaar heel goed op haar moeder gelet. Hier wijst ze naar het plafond. Grappig. Maar...het is niet wat je denkt dat het is, en dat maakt het zo geestig. Kijk maar eens goed. Bij het 'fuckgebaar' toon je de geadresseerde de rug van je hand én je middelvinger. Zij, mijn nicht, laat de binnenkant van haar middelvinger en de nagels van haar drie vingers zien. En daar neemt niemand aanstoot aan. Waarom zouden ze ook. Het betekent namelijk geen ene 'fuck'.

woensdag 24 augustus 2011

De daad

1960. Vogels kunnen vliegen. De meeste dan. Dat is bijzonder handig en aangenaam als je een vogel bent. Je beschikt standaard over een helikopterview waar managers alleen maar van dromen en je kunt hippen waar je wilt. In Italië moet je even oppassen dat je niet dampend tussen de pasta belandt en voor roofvogels en de kat moet je wel uitkijken. Maar verder ben je als vogel zo vrij als jezelf. Als kind sprak ik met vogeltjes. Ik vond ze lief en grappig. Vogeltjes kwamen naar mij toe gedwarreld als ik op straat liep en verstonden wat ik zachtjes tegen ze fluisterde. Tenminste, dat dacht ik en dat voelde goed. Vogeltjes, zo vonden mijn ouders, waren ook een beter alternatief voor het meurende troebele aquarium met guppies en maanvissen van mijn broer. Zo nu en dan kwam er een verdronken visje boven drijven dat was gestopt met zwemmen. Ontbinden kon hij nog wel. En dat allemaal in een piepklein jongenskamertje met stapelbed in de Amsterdamse Freek Oxstraat 22". Het werden vogeltjes. Mijn vader kwam op een dag met een mooie vogelkooi aanzetten. Gekregen van een klant. Mijn broer mocht vogeltjes uitzoeken, want ze waren tenslotte voor hem. Bij de dierenwinkel op de Slotermeerlaan, tussen Slotania en de paardenslager, koos hij voor een Napoleonnetje, zebravinkjes, tijgervinkjes en een sijs. Ik hield van vogeltjes en beschouwde ze als vriendjes. Groot dilemma. Ik kwam als tienjarig knulletje in geestelijke nood. Onhoorbaar voor de rest van de familie bood ik de kwetteraars mijn excuses aan voor hun gevangenschap. Zielig was het. Zes prachtige vriendjes hipten van hun stokje in het witte zilverzand, knabbelden wat zaadjes uit het bakje, floten een droevig deuntje en dronken wat. Dag in dag uit. Behalve ’s nachts, dan ging er een doek over de kooi. Daarvoor waren ze natuurlijk geen vogels geworden. Vogels moeten buiten fladderen. Het was een grote sterfhuisconstructie. Het knaagde écht aan me. Mijn vrienden en kennissen dichten mij dierenhaat toe, maar het ligt absoluut genuanceerder. Ik vind nog steeds dat mensen mensen zijn en beesten beesten. Wij wonen hier en zij graag ergens anders. Dat is geen haat, dat is (dieren)liefde. 

Het was woensdagmiddag en warm. Graadje of dertig, strak blauwe hemel. Verlaten straten omdat bijna iedereen in de Sloterplas en het Jan van Galenbad dobberde. Toen deed ik het. Ik pakte de kooi en tilde hem voorzichtig op de vensterbank. Onder begeleiding van zachte geruststellende woordjes opende ik het getraliede deurtje aan de voorkant en tikte aan de achterkant mijn broers’ levende have voorzichtig naar de vrijheid. Dertig graden is een puik temperatuurtje voor tropische vogeltjes. Met een beetje geluk redden ze het. En die valk of sperwer? Tsja. That's life vriend en nou niet zeuren. Je bent een vrije vogel en géén gevangene, en dat is altijd beter. Broer niet blij. Ik wel. Nog steeds.

zaterdag 6 augustus 2011

Rare schaar

Een gele Utrechtse schaar. Wat een leuk idee. Plezierig verknipt en een kunstenaar waardig. Voor de kruising ligt hij op het fietspad aan mijn voeten. Plaats? Nachtegaalstraat in de rug met rechtsvoor de prachtige schouwburg van Dudok. Half verborgen onder een doorgetrokken witte streep van het fietspad. Klaar om het lint door te knippen. Ongetwijfeld geïnspireerd door de uitknipbonnen uit de Margriet voor een gratis pot uierzalf tegen tepelkloven. Langs de lijn uitknippen. Georganiseerde humor van een stel lollige studenten? Denk van niet. Ik heb er al fietsend door Utrecht maar één gezien. Maar wie heeft de moeite genomen om in zijn schuurtje op een verloren zondagmiddag uit een gevonden stuk triplex een schaarsjabloon te figuurzagen? En waarom?

Hij legt de afstandbediening van de tv op de gids. Het late nieuws is beëindigd. Zijn vrouw is ook deze avond zonder iets te zeggen naar bed gegaan. Hij wacht nog een paar minuten. Om 0.27 uur in de nacht van zondag op maandag klikt de voordeur bijna geruisloos achter hem in het slot. Hij is nerveus. Onder zijn jas klemt hij het triplexplankje met de eenbenige schaaruitsnede. In zijn rechterzak, naast de bos huissleutels met het balletje en de spikkeltjes, voelt hij de kleine gladde spuitbus met verf waarmee hij zijn modelvliegtuigjes spuit. Hij zucht met een stotter als hij vanaf de Maliesingel de Nachtegaalstraat in loopt. Het windt hem ongelofelijk op. Zijn hart stuitert voelbaar als een beatbox in zijn gortdroge keel en belet hem te slikken. Zijn ademhaling piept hoog als hij zich in een ondiep portiek onzichtbaar maakt. In de verte hoort hij het zingen van een fietsdynamo. Hij wacht tot de fietser voorbij is en volgt met zijn ogen het rode achterlicht de brug op. Stilte. Dan stapt hij naar voren in het volle licht van een straatlantaarn, steekt half de Nachtegaalstraat over en haalt midden op de straat met klamme handen de houten mal onder zijn jas tevoorschijn. Met trillende handen drukt hij het triplex zacht stuiterend op het asfalt en de witte streep. Niemand. Met een lange pssssshh en vier korte fffups, spuit hij snel de contouren van de gele schaar op het asfalt. Hij voelt het water achter zijn kaken door een plotseling opkomende misselijkheid. Gelukt! Met het plankje en de spuitbus in zijn handen verdwijnt de man met grote onzekere passen terug de Maliesingel op. Achter hem knipperen de stoplichten oranje wanneer hij golvend de adrenaline tegen een boom naar buiten pompt. Kick, kick, kick! Die nacht droomt hij zwetend over heldendom, motorraces, trapezenummers zonder net, bungeejumpen, raften, cobra's,  dikke deinende damesborsten, voorpaginanieuws en aanhoudend applaus. Tot de wekker hem thuisbrengt. Hij kijkt naar het bewegingsloze lichaam van zijn vrouw. In het weke vlees van haar borst priemt een eenbenige gele schaar. Hij glimlacht breed als hij op weg naar kantoor de kruising overfietst. Dit wordt een topdag!

zaterdag 30 juli 2011

Incendio las cremas

Zonnesteek. Renée, onze dochter, is terug van vakantie en voelt zich zo slap als een vaatdoek. Ze was bang dat ze doodging. Echt! Een paar dagen voor ik haar zou ophalen van Schiphol belde ze met een piepklein stemmetje vanuit Rimini op. Ik ken dat stemmetje van te lange logeerpartijtjes en ons missen. 'Haai vader...' Pauze. '...Het gaat niet goed met me...'. Dat had ik al gehoord. Ik krijg visioenen van wat er allemaal zou kunnen gebeuren. 'Is Romy bij je?', informeer ik. 'Ja...ik heb een zonnesteek!', piept ze flets. Italië is hartstikke leuk om de beesten uit te hangen en met de lossigheid van het vakantiegevoel is het goed en succesvol ragazzi scoren. Maar ben je ziek, dan verander je als negentienjarig brutaaltje opeens in een kwetsbaar kind dat getroost wil worden. De dokter was gelukkig al geweest en de diagnose was gesteld en vertaald door haar nicht Romy. Uit de zon blijven, rustig aan doen en veel (water en sapjes) drinken. Een zonnesteek. Dat valt mee, stel ik mijzelf in een terzijde gerust. Ik hang de telefoon op en vertel het verhaal tegen Gitta. Even googelen op zonnesteek. Ik schrik me dood. Het is een godswonder dat ze nog leeft want een mens kan daar verschrikkelijk aan dood gaan. Je thermostaat blijft als het ware hangen omdat je besturingssoftware verkeerde, oververhitte informatie krijgt en uitzendt, je hersenen zijn ongeveer aan de kook gebracht en je kan aanvallen verwachten vanuit de epileptische hoek. Slik. Ik krijg het opeens met terugwerkende kracht Italiaans benauwd. Och jee, en ik heb nog wel zo luchtigjes gereageerd. 'Ach, wat rot voor je, en nu?' Ze was op vakantie met haar half Italiaanse nicht en het Italiaans is geen probleem. Romy had zich met haar achttien lentes beresterk getoond maar was, hoorden we achteraf, heel bang geweest dat haar nicht de pijp uit zou gaan. Hoeraatje voor Romy! Het gaat nu weer helemaal top met onze mop. Even een zijsprongetje. Heb je de foto hierboven gezien? Kleine associatie van deze kant. Die woordenboekjes van Lilliput die herkennen alle jongetjes en meisjes van onze leeftijd nog wel. Ze staan hier nog in de kast. Handig op vakantie. 1972? Toen mijn vrouw en ik net in de twintig waren gingen we voor het eerst samen op vakantie. Naar Spanje. We deden van alles. Liefde, dansen, liefde, lekker eten, liefde, drinken en uitslapen op het strand. Hartstikke verbrand was Gitta. De vellen hingen erbij. Dus wij gingen in de Nederlands-Spaanse Lilliput op zoek naar het Spaanse brandzalf. Wel brand en zalf gevonden, maar geen brandzalf. 'Signor, una incendio las cremas por favor!' We deden ook maar wat. De man in de winkel keek ons met een vragend scheef hoofd, verward aan. Het klonk vreselijk Spaans maar er zat geen woord flamenco bij. Zoals Manuel uit Fawlty Towers kan kijken, zo keek hij. Daar werd hard gewerkt onder het Spaanse afdakje. 'Una incendio?...Aaah!', glimlachte hij breed, terwijl hij zijn wijsvinger in de lucht stak. Hij vertrok naar achteren om even later triomfantelijk met een doosje lucifers voor de dag te komen. 'Aquí tiene', zei Manuel met blije opgetrokken wenkbrauwen... Je kan veel beter een Italiaans sprekende nicht bij je hebben. 

woensdag 20 juli 2011

De P. van pepermunt

Met een goede vriendin en waarschijnlijk met nog enkele miljoenen liefhebbers van Heinz Hermann Polzer, alias Drs. P., deel ik de liefde voor zijn teksten. Met mijn vriendin gieren we om dit mooie zotte versje. Is het een gedicht? Het zegt veel over de krankzinnige tekstuele invallen van Drs. P. Heerlijke nonsens. Ik heb hem ooit in het Amsterdamse Odeon zien en horen optreden. Om nooit meer te vergeten. Hoe zou het met de goede man zijn? De fantastische foto komt van Nova TV. De fotograaf zou ik graag vermelden.

Mijn oom die langs de huizen liep
En rollen pepermunt verkiep
Verdiende goed; het lukte trouwens
Ook aardig in kantoorgebouwens 

donderdag 14 juli 2011

Aufgeräumter Hund

Bloemendaal. Ik heb niks tegen honden. Nou ja, een beetje. Vroeger was ik als de dood voor deze kwispelende mensenvriend. Dat heb ik van mijn vader. Als ik vroeger aan zijn hand op straat liep dan werd hij geregeld onrustig. Hij hield in met lopen en begon als een duif om zich heen te kijken om een taxatie te maken voor een vluchtroute. Meestal kwam dat door een tegemoetkomende hond. Een tegenblaffer, zullen we maar zeggen. Hij omklemde mijn hand nog steviger en trok me zonder aarzeling naar de overkant van de straat. Verder zei hij niets, maar voor een sensitief kereltje als ik ben was de boodschap helder. Honden, daar moet je bang  voor zijn. Toen Gitta en ik in de Amsterdamse Dusartstraat woonden bevond zich naast slagerij Ebbers een sigarenwinkel. In die winkel sjouwde een vriendelijke loslopende bouvier van een kleine drie meter hoog. Een echte kindervriend. De hele Pijp was gek met hem. Alle jongens en meisjes uit de straat mochten op zijn rug zitten, trokken aan zijn gecoupeerde oren en staken lachend hun hand in zijn bek. Een speelgoedbeest. Maar kwam ik nietsvermoedend met een onsje Amsterdamse pekel in mijn hand langsgelopen, dan kwam mijnheer luidblaffend en grommend zo'n beetje door de winkelruit heen en werd hij door een 'ik-begrijp-er-helemaal-niets-van-winkelier' tot de orde geroepen. Als ik van avondschool kwam en ik zag een heel klein loslopend hondje dat werd uitgelaten, dan bleef ik met ingehouden adem in de auto zitten. Ik was een held. Nu is dat anders dankzij de honden (vizla's) van onze vrienden en door de superslimme ondeugende Flip (tekkel). Van Flip hou ik zelfs een beetje. Ik heb hem van de week met enige schaamte uitgelaten in het Wilhelminapark in Utrecht en mijn hoofd afgewend toen hij moest poepen. Bang ben ik niet meer, maar honden zijn wel een beetje vies. Vind ik. Een wezen dat zich wast door aan zijn pik en kont te likken, mag dan in de beleving van de hondenliefhebber een schone hond zijn; ik heb daar wat moeite mee. Als ik dat zou doen lig ik binnen een uur vastgebonden in een gesloten inrichting. Op het strand van Bloemendaal stond ik deze week oog in oog met een 'Honden-halte'. Honden-halte??? Ja, een honden-halte. Nee hè?  Geen bus te zien. 'Opruimzakjes Voor De Hond' staat er in het gele kwadrant. Mijn hart huppelde van blijdschap. Voor een hondenhater - zeker als je het hebt over hondvrije stranden - is dit een fijne en grote boodschap. Het is ook maar hoe je opruimzakjes leest. Ik wil het niet anders begrijpen. Onze Duitse buren op het strand hadden de rood-witte ronde verbodsborden met de afgebeelde hond in het midden ook niet begrepen. Op dit Stück Strand kein Hund, Schwanzlul! In een onbewaakt ogenblik hebben wij de hond daarop aangesproken. Hij begreep het niet en wilde ook niet meewerken. We zijn godverdomme ruim drieënhalf uur bezig geweest om die stinkende Duitse herder in zo'n zakje te krijgen. Rot hond. Er stond trouwens niemand op de hondenhalte. Inderdaad...geen hond.

maandag 11 juli 2011

Verse veters


Mijn schoenen zijn paars. Ik vind dat een mooie kleur en ze waren zelfs voor echte Giorgio’s belachelijk goedkoop. Dat komt omdat niemand ze wil hebben, want wie gaat er nou in hemelsnaam in opzichtige paarse halfhoge schoenen de straat op? Ik. Incourante kleuren en modellen worden meestal winkeldochters. Zo werkt het in de handel. Wat niemand wenst te  kopen belandt linea recta in de uitverkoop en daar loop ik dan weer toevallig. Zo kocht ik ooit een bijna lichtgevend parkietgroen kostuum voor honderd gulden in het mooie Oisterwijk. Dertig procent uit rebelsheid en de rest omdat het een fijn pak was om te dragen. Heerlijke stof, goede kleur en nog belangrijker: ik voelde me er prettig in. Toegegeven, het was niet de werkkleding van een rayonmanager/verkoper van drukpersen. Dat was ik toen. Het 'grafisch bastion' was een mannenwereldje waar stijlvol donkerblauw en grijs in drie delen stilzwijgend was voorgeschreven. Parkietgroen is verschrikkelijk leuk als je een volière hebt of in een feestwinkel werkt, vond men. Achteraf vermoed ik dat mijn neerstortende verkoopresultaten hun oorsprong vonden in mijn Papageno-outfit en uiteindelijk hebben geleid tot de tekstschrijverij. Wie de schoen past, trekke hem aan. Bij deze. En dat brugt mij soepeltjes terug naar de pauspaarse schoen. Van de week trok ik de veter stuk. Altijd leuk als je haast hebt. Ze gaan stuk of ze raken verstrikt in een gordiaanse knoop net als de familie opgefokt en ingeklemd tussen koffers en tassen in de auto zit te wachten om op tijd op Schiphol te zijn. Deze keer gelukkig niet. Van de week heb ik alle tijd van de wereld. Probleempje: paarse schoenen hebben paarse veters. Ga die maar eens proberen te kopen bij de plaatselijke super, drogist, Hema of hakkenbar. Ze keken me aan alsof ik knettergek ben. Nou wil het toeval dat ik een paar dagen met vrouwlief in Utrecht op vakantie ben. Weer was niet echt je dát, dus wát gaan we doen? Hoera, hofjes! De VVV-hofjesroute lopen door historisch Utrecht is beslist een aardig idee voor een druilerige dag, maar deze jongen kon de concentratie niet vasthouden. Op tijd en op goed geluk 'mooi' en 'leuk' roepen dus. Maar ik dacht maar steeds aan mijn veterloze Giorgio's en nieuwe paarse veters. We sukkelden hoffelijk verder vanaf de dom door de Zadelstraat. Even een lichtpuntje! Prima Vista, de beste cadeauwinkel van Utrecht. Daarna de Mariaplaats op en voor het conservatorium links de Springweg in. Een hofje is een hofje, is een hofje, is een hofje. Daar ben je op een gegeven moment zo verschrikkelijk klaar mee! Toen ik van verveling tegen een winkelpui hing, viel mijn oog op de overkant. Er is altijd een overkant. En wat voor één. Op Springweg 11, woont en werkt ambachtelijk schoenmaker J.P. Versteeg. 'Veters op maat' staat er op de winkelruit! En echt ongelofelijk, binnen aan de wand hangen rekken met honderden rollen veter d'r op. Veters in de meest waanzinnige kleuren en dessins! Of ze ook paarse hebben, vraag ik. Die hebben ze. Ik kies enthousiast de meest paarse veter die ik kan vinden. Twee paar bestel ik van 95 centimeter lang. Overigens nooit geweten dat de uiteinden van een veter tegen het rafelen worden voorzien van veterpinken. Buiten is de zon gaan schijnen. Toeval? Vol energie vervolgen wij de hofjesroute richting het eerste de beste terras. Wijn! "Ze zijn wel erg paars, zo in het daglicht", merkt Gitta, mijn vrouw, op. "Die rodekole waren misschien wel beter." Gotver, ze heeft gelijk. Morgen fijn nieuwe verse veters halen. 

dinsdag 5 juli 2011

Gestreept vet

Kijk, dit ben ik. Gestreept als een Dalton. Obelix misschien. Nou denk je waarschijnlijk: Jezus, wat een pens heeft die gozer! Inderdaad, die heb ik. Zeker. Dat krijg je ervan als je met een groothoeklens onder je kin een plaat schiet. Een strak uitbulkbuikje. Sommige van mijn vrienden fietsen zich het leplazarus voor een snaarstrakke sixpack, een beter of nog slechter huwelijk of voor hun jongere vriendin. Op de fiets overwinnen ze zichzelf en HEEL hoge bergen, eten bergen gras, 'boarden' vrijwillig enorme hoeveelheden water en zitten op sektarische clubjes waar ze elkaar aanspreken op ongewenst gedrag en van je meer meer meer, sneller, harder, langer en nog maar weer een keer! Not me! Ik ben de 'gelukkige' bezitter van enig fysiek onvermogen en het niet blessurevrij kunnen sporten komt mij goed uit. Nee, dat ene been dat je op de foto mist heb ik nog. Dat is onder mij absoluut aanwezig. Prominent en dik.  Vertel ik je later. Maar die buik mag best een beetje weg, vindt bijna mijn hele familie. Behalve mijn prachtig(e) dansende dochter van 19. Die houdt van me zoals ik ben. Onvoorwaardelijk. Niet dat de rest niet van me houdt, maar die buik is wel een topic. "Komt van het zingen", piep ik dan onhoorbaar als verweer. En dat is een beetje waar. Zingen is naast schrijven mijn passie en dat vraagt om stem, adem, spiermassa en ademsteun. Ik heb de buik van een zanger vertel ik mijzelf. Jessy Norman zei ooit: "Een stem hoort te dobberen in het vet!" Klaar! Zo, en nou allemaal opsodemieteren met dat gezeik over mijn buik want die foto vertekent. Het zijn willekeurige, gestreepte spieren en ik ben gewoon een lief, zij het ietsje te zwaar, gestreept zwijntje. Van 61. Dat laatste vind ik soms een beetje jammer, maar oké. Voor de strakke buik en innige ontmoetingen met jezelf moet je bij mijn goede vriend Thomas Braun zijn. Als je van je gestreepte vet af wilt moet je zijn prettig geschreven boek tot je nemen. In dagelijkse doses met veel water. 'Ga toch fietsen' heet zijn boek. Hij schrijft vol humor over zichzelf, een pafferige veertiger die het stuur omgooide door het vast te pakken. Maar ja, net in de veertig... Hij een sixpack en ik de paarse tralies. Ik heb er vrede mee. www.thomasbraun.nl